De grootste stad van
de Ardennen, Charleville-Mézières, is de geboorteplaats van Arthur Rimbaud. Dit
wonderkind publiceerde tussen zijn 16 en zijn 22 enkele gedichten, trok
Verlaine aan en stootte hem weer af, om te eindigen als avonturier en
wapenhandelaar. Hij haatte zoniet alles, dan toch zeker zijn geboorteplek. Des
te cynischer is het dat de gemeente een museum aan hem heeft gewijd, zijn
geboortehuis heeft opgengesteld en de wegen rondom heeft gebundeld in een Rimbaud-Verlaine-route.
Leuk trouwens voor de echtgenote van Verlaine, die in die driehoeksverhouding de
grootste pineut was. Zij kon misschien nog wel verdragen dat haar man homo was,
maar niet dat hij zich liet beduivelen door een snotjong. Een “route Mathilde
Mauté” is er niet – je moet zelfs moeite doen haar naam terug te vinden.
Na een overgangsnacht
in een Ibis langs de grote weg, bezochten we de voornaamste bezienswaardigheden
van de stad: het centrale plein “Place Ducale”, het Musée d’Ardennes dat nogal
kakafonisch oogt maar daarom niet minder interessant is en als hoogtepunt de
reuzengrote straatmarionet, die elk uur een passage vertelt uit de sage van de
Vier Heemskinderen. Nu ligt die sage mij als Dendermondenaar nogal nauw aan het
hart maar herhaalde reizen naar de Maasvallei doen mij definitief besluiten dat
de legende eerder hier te situeren valt dan aan de Dendermonding. Wij hebben
die folklore gestolen van de Ardennen en er een spektakel van gemaakt met
mondiale allure. Hier, in Dinant, Bogny-sur-Meuse of Charleville, is die
folklore diep geworteld. Dat ze in Charleville door een marionet wordt
uitgebeeld, ligt aan de lange traditie van de stad inzake touwtjespoppen. Je
ziet ze overal in de stad, die jaarlijks een marionettenfestival houd
We overnachtten in het
centrum, wat ons toeliet lekker te gaan eten “Chez Toshi”. De aankomst in het
hotel verliep met horten en stoten: ik had bij Booking de verkeerde datum
opgegeven en dat zorgde voor grote verwarring bij de dwerg aan de balie. Hij zag
er niet uit alsof hij een hotel kon beheren maar hij deed wel erg zijn best.
Zijn ringtone speelde Sandstorm van Darude (een kanjer van een deun, moet ik
wel zeggen!). ’s Avonds hield zijn collega de wacht, die ook al recht uit een
schilderij van Jeroen Bos kwam gekropen. En de dame die ’s morgens het ontbijt
verzorgde leek zelfs wat mentaal gehandicapt. Het internet bracht de
verklaring: dit hotel wordt uitgebaat door een vereniging die ijvert voor de
reïntegratie van mensen met een beperking. Heel nobel en plots smolten onze
twijfels en harten, al blijft het wel een beetje vreemd om dat net in de wereld
van het gastvrije comfort uit te proberen.
In de ban van de Vier
Heemskinderen en aangespoord door prenten uit het museum zochten we het Chateau
des Fées. Dat zou model gestaan hebben voor Montessor, het slot van Reinout van
Montalbaen en zijn drie broers. Met veel moeite vonden we het want het stond
nergens aangegeven. Mijn spoorzoekerij en Domie haar opmerkzaamheid vermoedden
het achter een copie van de Lourdesgrot in Montcy-Notre-Dame. Er was geen
toegang, geen betaling, geen uitleg en amper meer dan blootgelegde fundamenten,
maar wij vonden het prachtig!
We overbrugden de
middag in de kerk van Mézières waar zich een wonderlijke collectie glasramen
ontvouwde. Tussen 1955 en 1979 vormden ze het levenswerk van René Dürrbach, een
vriend van Picasso. De glasramen beschrijven is een lastige opdracht: ze zijn
opgevat volgens een symboliek van lijnen en
kleuren die best tot zijn recht komt levende lijve. Wij kregen een
kunstzinnige ervaring die de meeste tentoonstellingen in musea overtrof en voor
een keer een uitleg die hout sneed, in vergelijking met de hoogdravende tralala
die de herinrichting van het MSK begeleidt.
In de namiddag kwam
eindelijk Rimbaud aan de beurt. Een museum over een dichter is altijd een
beetje vreemd: woorden laten zich niet graag lezen aan een muur. Zijn
levensverhaal is schilderachtig maar ook tragisch en het heeft verder niet meer
geleid tot grote kunst. Toch inspireerde het, zoals bijna elk museum in mij
iets wakker maakt. ’s Avonds componeerde ik een pastiche op zijn illustere
“Voyelles”:
Absynthetisch
A, scharlaken passie,
harteklop en klaproos
eerst in de schakering van dit
klankgedicht
E is zilverwit en tint de
letters licht
Scherp en dof ontsteekt ze
schitterende salvo's
I is irisgeel, verbeeldt
intelligentie
Montert op en toch is dit een
lichtgewicht
O, kobalt, beladen met de
koningsplicht
onverstoorbaar donker in de
dominantie
Duwen samenhorig hun gebuur
naar buiten
nukkig vindt U schutting in
zijn eigen groen
Hun kunstmatig spel is hoe dan
ook ontwricht
Goud uit Griekenland doet alle
ogen tuiten
durft wel, want hij komt hier
al bij al niks doen
Man van weinig woorden,
sympathiek gezicht