vrijdag 27 juli 2018

Charleville-Mézières


De grootste stad van de Ardennen, Charleville-Mézières, is de geboorteplaats van Arthur Rimbaud. Dit wonderkind publiceerde tussen zijn 16 en zijn 22 enkele gedichten, trok Verlaine aan en stootte hem weer af, om te eindigen als avonturier en wapenhandelaar. Hij haatte zoniet alles, dan toch zeker zijn geboorteplek. Des te cynischer is het dat de gemeente een museum aan hem heeft gewijd, zijn geboortehuis heeft opgengesteld en de wegen rondom  heeft gebundeld in een Rimbaud-Verlaine-route. Leuk trouwens voor de echtgenote van Verlaine, die in die driehoeksverhouding de grootste pineut was. Zij kon misschien nog wel verdragen dat haar man homo was, maar niet dat hij zich liet beduivelen door een snotjong. Een “route Mathilde Mauté” is er niet – je moet zelfs moeite doen haar naam terug te vinden.

Na een overgangsnacht in een Ibis langs de grote weg, bezochten we de voornaamste bezienswaardigheden van de stad: het centrale plein “Place Ducale”, het Musée d’Ardennes dat nogal kakafonisch oogt maar daarom niet minder interessant is en als hoogtepunt de reuzengrote straatmarionet, die elk uur een passage vertelt uit de sage van de Vier Heemskinderen. Nu ligt die sage mij als Dendermondenaar nogal nauw aan het hart maar herhaalde reizen naar de Maasvallei doen mij definitief besluiten dat de legende eerder hier te situeren valt dan aan de Dendermonding. Wij hebben die folklore gestolen van de Ardennen en er een spektakel van gemaakt met mondiale allure. Hier, in Dinant, Bogny-sur-Meuse of Charleville, is die folklore diep geworteld. Dat ze in Charleville door een marionet wordt uitgebeeld, ligt aan de lange traditie van de stad inzake touwtjespoppen. Je ziet ze overal in de stad, die jaarlijks een marionettenfestival houd

We overnachtten in het centrum, wat ons toeliet lekker te gaan eten “Chez Toshi”. De aankomst in het hotel verliep met horten en stoten: ik had bij Booking de verkeerde datum opgegeven en dat zorgde voor grote verwarring bij de dwerg aan de balie. Hij zag er niet uit alsof hij een hotel kon beheren maar hij deed wel erg zijn best. Zijn ringtone speelde Sandstorm van Darude (een kanjer van een deun, moet ik wel zeggen!). ’s Avonds hield zijn collega de wacht, die ook al recht uit een schilderij van Jeroen Bos kwam gekropen. En de dame die ’s morgens het ontbijt verzorgde leek zelfs wat mentaal gehandicapt. Het internet bracht de verklaring: dit hotel wordt uitgebaat door een vereniging die ijvert voor de reïntegratie van mensen met een beperking. Heel nobel en plots smolten onze twijfels en harten, al blijft het wel een beetje vreemd om dat net in de wereld van het gastvrije comfort uit te proberen.

In de ban van de Vier Heemskinderen en aangespoord door prenten uit het museum zochten we het Chateau des Fées. Dat zou model gestaan hebben voor Montessor, het slot van Reinout van Montalbaen en zijn drie broers. Met veel moeite vonden we het want het stond nergens aangegeven. Mijn spoorzoekerij en Domie haar opmerkzaamheid vermoedden het achter een copie van de Lourdesgrot in Montcy-Notre-Dame. Er was geen toegang, geen betaling, geen uitleg en amper meer dan blootgelegde fundamenten, maar wij vonden het prachtig!

We overbrugden de middag in de kerk van Mézières waar zich een wonderlijke collectie glasramen ontvouwde. Tussen 1955 en 1979 vormden ze het levenswerk van René Dürrbach, een vriend van Picasso. De glasramen beschrijven is een lastige opdracht: ze zijn opgevat volgens een symboliek van lijnen en  kleuren die best tot zijn recht komt levende lijve. Wij kregen een kunstzinnige ervaring die de meeste tentoonstellingen in musea overtrof en voor een keer een uitleg die hout sneed, in vergelijking met de hoogdravende tralala die de herinrichting van het MSK begeleidt.

In de namiddag kwam eindelijk Rimbaud aan de beurt. Een museum over een dichter is altijd een beetje vreemd: woorden laten zich niet graag lezen aan een muur. Zijn levensverhaal is schilderachtig maar ook tragisch en het heeft verder niet meer geleid tot grote kunst. Toch inspireerde het, zoals bijna elk museum in mij iets wakker maakt. ’s Avonds componeerde ik een pastiche op zijn illustere “Voyelles”:

Absynthetisch


A, scharlaken passie, harteklop en klaproos
eerst in de schakering van dit klankgedicht
E is zilverwit en tint de letters licht
Scherp en dof ontsteekt ze schitterende salvo's

I is irisgeel, verbeeldt intelligentie
Montert op en toch is dit een lichtgewicht
O, kobalt, beladen met de koningsplicht
onverstoorbaar donker in de dominantie

Duwen samenhorig hun gebuur naar buiten
nukkig vindt U schutting in zijn eigen groen
Hun kunstmatig spel is hoe dan ook ontwricht

Goud uit Griekenland doet alle ogen tuiten
durft wel, want hij komt hier al bij al niks doen
Man van weinig woorden, sympathiek gezicht

Geen opmerkingen:

Een reactie posten